Stoom

Net iets te hard trek ik de voordeur achter me dicht. Het regent maar het boeit me niet. Boos loop ik richting de supermarkt. Niet dat ik nou iets nodig heb van de winkel maar ik moet even weg. Weg van de muren die thuis op me afkomen. Weg van Nomi die begon te huilen, omdat ik haar een beker Fristi gaf. En dat wilde ze niet, ze wilde chocomelk. Van Liv haar driftbuien, van Sem die in een pyjamabroek en kersttrui beneden kwam, omdat hij niks anders in zijn kast kon vinden. Van het volle aanrecht, de televisie die weer dezelfde tekenfilm afspeelt, het speelgoed dat ’s ochtends vroeg al door de kamer slingert, de puppy die druk doet en van de poes die miauwend voor mijn voeten loopt, omdat ze honger heeft.

Terwijl ik door de regen loop, zucht ik. Ik voel me schuldig. Schuldig dat ik stoom af moet blazen, weg loop van mijn gezin. Dat ik de mensen waar ik zielsveel van houd even niet om me heen kan hebben. Maar het is teveel. Ik voel me overprikkeld. Overdag kom ik niet tot rust maar ’s avonds en ’s nachts ook niet. Door de avondklok is Oliver nu ook op zijn werkdagen om 21 uur thuis. En elke nacht is er wel een kind dat na een nachtmerrie tussen ons in kruipt. Ik snak naar een moment voor mezelf, naar vrijheid, naar tijd om de gedachtes in mijn hoofd te ordenen zonder dat iemand er doorheen praat of iets van me wil. Naar een avond alleen zodat ik kan schrijven of gewoon op de bank kan hangen met een glas wijn en een romantische film waar Oliver niks aan vindt.

En ook al gaan de scholen volgende week weer open, ik weet dat het lang niet genoeg zal zijn. Want na wekenlang thuis is de overgang naar school groot. Dat leerden we na de eerste lockdown al. Wat betekent dat op de dagen dat ik boven aan het werk ben, en Oliver de kinderen moe uit school heeft opgehaald, het geruzie en gejengel beneden me alsnog weer uit mijn concentratie haalt. Ik ’s avonds langer vermoeide kinderlijfjes knuffel tot het ze lukt de spanning van de dag los te laten en te gaan slapen. 

Inmiddels ben ik bij de winkel aangekomen. Binnen zie ik meer vrouwen lopen. Ik beeld me in dat ze ook allemaal moeder zijn en dat ze net zo moe zijn als ik. Dat ze ook even weg zijn gelopen van hun gezin om stoom af te blazen. En dat het lopen door de winkel met een lege kar, zonder boodschappenbriefje, hen ook rustiger maakt. Het helpt dat ik voel, al is het maar in mijn verbeelding, dat ik niet de enige ben.

Ik loop de winkel uit, de regen weer in. En opeens kan ik mijn lach niet meer inhouden. Mensen die me passeren kijken me vreemd aan maar ik kan niet stoppen met lachen. Ik lach omdat ik daar ’s ochtends vroeg in de regen loop met een zak wortels onder mijn arm. Wortels die we helemaal niet nodig hebben. Ik lach omdat Sem er belachelijk uitzag in zijn pyjamabroek met een glow-in-the-dark skelet erop en daarboven een te kleine kersttrui met een afbeelding van een glinsterende dinosaurus en de opdruk Tree-rex. Ook lach ik omdat ik bijna over de poes heen viel terwijl ik een serieuze discussie voerde met mijn vierjarige over chocomelk. Maar vooral lach ik omdat het helpt. Omdat het leven op dit moment zo donker en zwaar is als dat ik het zelf maak. Omdat lachen ook stoom afblazen is.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.